De verkiezingen van 2025 komen eraan. Hoe kijken de verschillende partijen aan tegen onderwerpen die spelen in de zonne- en windenergiesector? NedZero en Holland Solar gingen in gesprek met Pieter Grinwis, nummer 2 op de lijst van de ChristenUnie en lid van de Tweede Kamer.
Pieter Grinwis (1979) is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie. Eerder was hij fractievoorzitter van ChristenUnie/SGP in de Haagse gemeenteraad, werkte hij als beleidsmedewerker voor de ChristenUnie-fracties in Eerste en Tweede Kamer en was hij adviseur voor de deltacommissaris. Hij groeide op op een akkerbouwbedrijf op Goeree-Overflakkee en woont in Den Haag. We spreken hem over het versnellen van elektrificatie en energieopslag, de inpassing van windmolens bij bedrijventerreinen, het oplossen van netcongestie en de rol van onderwijs in de energietransitie.
Eigen verbruik: Heeft u zonnepanelen? Wat gaat u met uw stroom doen vanaf 2027, wanneer u niet meer mag salderen?
“Ik woon in een jaren ’30-huis en pak de verduurzaming stap voor stap aan. In september 2021, na het isoleren, heb ik zonnepanelen laten plaatsen. Het eerste jaar wekten die al veel stroom op en ik zal vast ook veel hebben teruggeleverd. Maar die nadruk op ‘terugverdienen’ vind ik wat overtrokken. Zonnepanelen zorgen direct voor een lagere energierekening, en dat voordeel merk je meteen.
Het was al langer duidelijk dat de salderingsregeling ooit zou eindigen, al had de communicatie richting consumenten wel beter gekund. Een geleidelijke afbouw was logisch geweest, maar die is steeds uitgesteld, mede door een verworpen wetsvoorstel door de Eerste Kamer, totdat het huidige kabinet plotseling, zonder overgangsregeling, de stekker eruit trok. Dat heeft het vertrouwen in de politiek geschaad. De impact van die opportunistische besluitvorming in de Eerste Kamer is veel groter dan die van de afbouw zelf.
Nu de salderingsregeling verdwijnt, is het tijd om de focus te verleggen naar het verhogen van het eigen gebruik van duurzame stroom. Mensen moeten hun zonnestroom zoveel mogelijk zelf benutten. Voor gezinnen met kinderen, zoals dat van mij, is het echter lastig om het verbruik naar de middag te verplaatsen. Thuisbatterijen kunnen daar een oplossing voor bieden. Ik heb er zelf nog geen, maar ik kijk er nadrukkelijk naar. Tegelijk zie ik de noodzaak om batterijopslag ook via beleid te stimuleren. In België en Duitsland gebeurt dat al, in Nederland nog niet. We moeten die stimulans bieden, al is een klein duwtje waarschijnlijk al genoeg, want de kostprijs van batterijen daalt razendsnel.”
Er wordt al lang gesproken over landelijke afstandsnormen voor windturbines. Hoe kijkt u aan tegen het idee van uniforme landelijke normen, en welke effecten verwacht u daarvan op de energietransitie en ruimtelijke ordening?
Er wordt veel gesproken over het aanscherpen van de milieunormen voor windturbines. Daarbij is nooit expliciet gezegd dat er een afstandsnorm moest komen, maar de Kamer heeft daar wél op aangedrongen. Vanuit de ChristenUnie zeggen wij: met een afstand van twee keer de tiphoogte kun je prima uit de voeten, mits er ruimte blijft voor uitzonderingen. Denk aan situaties waarin je juist kansen wilt behouden voor bedrijventerreinen of agrarische bedrijven. Helaas hebben we van dit kabinet nog steeds geen nieuw voorstel gezien, waardoor er nog altijd geen duidelijkheid is.
Ik heb begrip voor mensen die hinder ervaren van windturbines. Zelf vind ik ze ook minder mooi dan de oude molens die we in het landschap gewend zijn. Maar wind op land is onmisbaar om onze klimaatdoelen te halen. Partijen die pleiten voor afstandsnormen van drie- of viermaal de tiphoogte, zeggen in feite: ik wil geen wind op land. Dat vind ik een oneerlijke manier om dat standpunt te verpakken, zeg het dan gewoon eerlijk.
Ook de recente aangenomen motie van de VVD komt daar op neer. Voor het bepalen van de normen moet je kijken vanuit hoe je overlast en gezondheidsschade kunt voorkomen, niet hoe je zoveel mogelijk windturbines kunt voorkomen.”
De industriële vraag naar groene stroom groeit momenteel minder snel dan verwacht, waardoor de businesscase voor wind op zee onder druk staat en het onzeker is of er voldoende interesse zal zijn voor de tender in oktober 2025. Wat is volgens u nodig om dit proces te versnellen en ervoor te zorgen dat wind op zee voldoende steun krijgt?
“Ik maak me hier al jaren zorgen over. Vraag en aanbod moeten in balans zijn, maar aan de vraagkant is dat nu niet op orde. De eerste dreiging is dat de tender voor een windpark op zee deze oktober mislukt. We weten al jaren dat 2025 een kantelpunt zou worden, en dat het simpelweg openen van een tender geen garantie biedt dat ontwikkelaars ook daadwerkelijk willen bouwen. De voorbeelden uit Denemarken en het Verenigd Koninkrijk laten zien dat het bieden van de juiste randvoorwaarden cruciaal is om tenders te laten slagen. Ik heb in de Kamer vaak gepleit voor de invoering van Contracts for Difference om de aanbodkant beter te ondersteunen. We willen immers niet dat die tenders mislukken.
Maar als je de vraag naar duurzame stroom niet stimuleert, kom je nergens. We moeten dus naar de grootverbruikers kijken: naar elektrificatie, naar nettarieven voor afnemers, en naar de ruimtelijke planning van grootschalig energieverbruik, zoals op de Maasvlakte. Wij staan open voor allerlei oplossingen om te voorkomen dat het aan de vraagkant vastloopt.”
Maakindustrie voor zon- en windtechnologie in Nederland: De wereldwijde vraag naar groene energietechnologieën groeit snel, dit biedt kansen voor de hoogwaardige maakindustrie van deze technieken in Nederland. Hoe kijkt u naar de maakindustrie voor groene energietechnologie en waar zou Nederland op moeten inzetten?
“Ik zie veel potentie, maar ook dat we terrein verliezen aan China. In Duitsland hebben ze van zonne-energie een succes gemaakt, maar ook daar zien we hoe Chinese panelen, die op grote schaal en tegen lage prijzen worden geproduceerd, de markt domineren. Bovendien maak ik me ernstige zorgen over de strategische afhankelijkheid van China op het gebied van aardmetalen.
In Nederland hebben we groene, innovatieve bedrijven die hoogwaardige producten ontwikkelen. Circulaire zonnepanelen zijn daarvan een goed voorbeeld: ze bieden een kans om ons te onderscheiden van de goedkope Chinese alternatieven. Toch ligt de focus nog te vaak op de laagste prijs, waardoor Nederland het onderspit delft.
We moeten daarom durven normeren op een manier die een afzetmarkt creëert voor hoogwaardige, duurzame productie. Dat geldt niet alleen voor zonnepanelen, maar ook voor bedrijven die plastic recyclen of warmtepompen maken. Zulke pioniers verdienen structurele stimulering, niet via kortlopende subsidies, maar met beleid dat hun inspanningen echt toekomstbestendig maakt.”
Voor 2030 zijn er opwekdoelen gesteld om de doelstellingen uit de Klimaatwet te halen. Is het stellen van concrete opwekdoelen effectief geweest? En is het wenselijk om opwekdoelen te stellen voor 2040?
“Het wás effectief. Het heeft echt een beweging op gang gebracht. Het Energieakkoord van 2013 leidde tot grote investeringen en veel ontwikkeling. Rijkswaterstaat en het ministerie van Economische Zaken hebben dat goed aangepakt, met een sterke organisatie van de tenderkavels. Dat waren goede jaren. Maar nu is het moment gekomen om te kijken naar de volgende stap: het creëren van vraag.
We moeten zeker weten dat de stroom die we opwekken ook daadwerkelijk benut wordt. Dat vraagt om een betere afstemming tussen vraag en aanbod, die we ook fysiek dichter bij elkaar moeten brengen. Dat betekent maatwerk, niet alles dichtregelen via ruimtelijk beleid. Tegelijk vraagt het iets van bestuurders die zulke projecten mogelijk moeten maken. Zij moeten de ruimte én het vertrouwen krijgen om door te pakken, gesteund door de politiek.
Daarbij blijft participatie cruciaal. Op Goeree-Overflakkee hebben Zeeuwind en Deltawind dat mooi laten zien met hun coöperatieve aanpak. Zo zou ik het het liefst overal willen zien.