Zonneparken kunnen méér zijn dan energie-infrastructuur: ze kunnen ook ruimte maken voor biodiversiteit die in intensieve landbouwgebieden steeds schaarser wordt. Dat blijkt uit een nieuwe tussentijdse rapportage van de Rijksuniversiteit Groningen over de ecologische inrichting van zonneparken, met loopkevers als indicatorsoort.
Meer loopkevers, vooral waar extra natuurmaatregelen zijn genomen
In zonneparken werden gemiddeld iets meer loopkevers gevangen dan in nabijgelegen agrarische referentiegebieden. Dat verschil komt vooral door delen met compensatiemaatregelen: zones met ruigere vegetatie, vaak in combinatie met struweel.
Loopkevers reageren snel op veranderingen in bodem, vocht, schaduw en vegetatie. Daardoor zijn ze een praktische ‘meetlat’ voor hoe een gebied ecologisch functioneert. In de rapportage is gekeken naar drie zonneparken in Groningen en Drenthe, én naar naastgelegen landbouwgronden.
Niet dezelfde soorten als op akkers
Minstens zo opvallend is dat de soortensamenstelling in zonneparken sterk verschilt van die op akkers. Er is relatief weinig overlap: de loopkevergemeenschap in zonneparken lijkt juist meer op die van ruige vegetaties (zoals akkerranden en compensatiestroken) dan op echte akkerhabitats.
Wat bedoelt het onderzoek met ‘andere soorten’?
De onderzoekers beschrijven dat zonneparken andere soorten aantrekken dan agrarische gebieden en zich kunnen ontwikkelen tot een nieuw type ecosysteem. Concreet gaat het om soorten die niet passen bij de typische ‘akkersoorten’ die houden van voedselrijke, open bodems met weinig schaduw.
Het gaat juist om soorten die beter gedijen bij omstandigheden die in zonneparken ontstaan, zoals:
Die mix hangt samen met de unieke omstandigheden in zonneparken: meer schaduw en vocht onder panelen, minder verstoring door bodembewerking, en variatie tussen plekken onder panelen, tussen panelen en langs randen.
Meer soortenrijkdom op landschapsniveau
De onderzoekers benadrukken een belangrijk nuancepunt: zonneparken zijn geen vervanging voor open agrarisch landschap. Soorten die afhankelijk zijn van uitgestrekte akkers blijven grotendeels weg. Tegelijk kan de totale soortenrijkdom in een gebied toenemen, omdat zonneparken soorten ruimte bieden die in intensieve landbouwgebieden nauwelijks nog plekken vinden. Daarmee dragen zonneparken bij aan meer ecologische diversiteit op landschapsniveau.
Met “ruimte bieden” wordt vooral bedoeld: kleine landschapselementen die in intensieve landbouw vaak zijn verdwenen, zoals struweel (laagblijvend, inheems struikgewas), onbewerkte ‘rommelhoekjes’ en bloemrijke vegetaties. Die elementen voegen structuur toe en zorgen voor rust in de bodem, waardoor insecten en vegetatie zich kunnen ontwikkelen zonder voortdurende agrarische bewerkingen.
Zonneparken als ‘nieuwe ecosystemen’
Een zonnepark kan ecologisch worden gezien als leefgebied met unieke karakteristieken: wel schaduw en vocht (zoals bos), maar zonder humus- en strooisellaag (dus óók weer anders dan bos). Daardoor ontstaan combinaties van soorten die je elders minder snel verwacht. Dat is een aanwijzing dat zonneparken – ecologisch gezien – als een nieuw type ecosysteem kunnen functioneren.
Vijfjarig onderzoek met een beleidsdoel
Het loopkeveronderzoek is onderdeel van een vijfjarig programma waarin biodiversiteit in zonneparken wordt gevolgd van (rond) aanleg tot jaren daarna, en meerdere soortgroepen worden gemonitord (zoals vogels, insecten en planten; in het persbericht wordt dit breder getrokken met onder andere bodemkwaliteit).
Het doel is nadrukkelijk praktisch: de inzichten moeten helpen om het beleid van de provincie Groningen verder te onderbouwen en – als het kan – ook andere provincies handvatten te geven om zonneparken een ecologische plus te laten zijn. Concreet gaat het dan om ontwerp- en beheerkeuzes die diversiteit in landschappelijke structuur toevoegen (struiken, bloemrijke vegetatie) en bodemrust creëren.
Wat betekent dit voor de sector?
Biodiversiteitswinst komt niet automatisch vanzelf tot stand. Vooral inrichting en beheer lijken bepalend, en compensatiezones met ruige vegetatie/struweel vallen op als ecologisch waardevol. Daarmee verschuift de vraag van “is een zonnepark goed of slecht voor natuur?” naar: welke ontwerpkeuzes zorgen aantoonbaar voor ecologische meerwaarde, en voor welke soorten?